Zelforganisatie en evenwicht

sneeuwvlokken

Meepraten?

Kom bij de facebookgroep voor pedagogen die niet bang zijn voor complexiteit!

Een fundamenteel kenmerk van complexe systemen is dat het bestaat uit veel (of in ieder geval een aantal) onderdelen die verbonden zijn door hun interactie. Elk onderdeel heeft zijn eigen kenmerken en interacties. Elk onderdeel is dus te onderscheiden van de andere elementen en bepaalt zelf wat het doet. Aan de andere kant is elk element verbonden met andere elementen en reageert erop. In die zin is elk element verbonden en afhankelijk. Deze beide eigenschappen samen maakt dat er spontaan orde kan ontstaan die zich ook aanpast aan de omstandigheden: zelforganisatie. Volledige onafhankelijkheid van de elementen creëert geen orde, en volledige afhankelijkheid creëert strikte onveranderbare orde.

De basis van zelforganisatie ligt bij dus bij die onderdelen/elementen. Elementen reageren op hun eigen manier op hun directe omgeving (in het systeem dus, niet alleen buiten het systeem). Voorbeelden van elementen zijn waterdruppels, biologische cellen, organisaties en, in ons vakgebied, mensen.

Elk element heeft een doel dat het wil bereiken, bewust of onbewust. Het gebruikt zijn acties om dat doel te bereiken, in ieder geval gedeeltelijk. Een mens wil misschien financiële onafhankelijkheid, liefde, high worden, of gevoel van eigenwaarde hebben. Een doel is specifiek voor een (soort) element. Niet alle elementen in een systeem zullen hetzelfde doel hebben. Doelen kunnen ook in de tijd veranderen, ze zijn vaak afhankelijk van de huidige staat van een element, de omgeving en de ontwikkeling die ze doorgemaakt hebben.

Een verandering in het systeem heeft effect op de elementen die verbonden zijn. De (re)acties beginnen vaak lokaal: in het begin hebben ze alleen effect of de directe omgeving. Maar omdat de elementen veranderen, hebben zo ook weer effect op de elementen waarmee ze verbonden zijn: de actie van een element zorgt voor (re)acties bij de buren. Daarmee kan het een kettingreacties veroorzaken zodat er een effect is op alle elementen van het systeem. Zoals een steen die je in de vijver gooit. Het wateroppervlak wordt in eerste instantie  maar op één plaats verstoort, maar uiteindelijk komen de golven over heel de vijver (dit heet in het engels: ripple effect).   

Omdat een element een doel heeft, doet hij zelfstandig acties die hem dichter naar zijn doel zullen brengen. Maar dat geldt natuurlijk ook voor zijn buren. Nu is het niet zo dat iets positiefs voor het ene element noodzakelijkerwijs negatief is voor zijn buur. Als er een win-win situatie is ontstaan (al dan niet per toeval) zullen de beide elementen proberen dit zo te houden. Als er een verandering is die het doel verder weg brengt, zal het element proberen die verandering terug te draaien. Zo ontstaan er stabiele plekken in het systeem die hun omgeving dus niet meer veranderen. Andere aangrenzende elementen, verder weg, proberen nu een manier te vinden om, binnen de nu stabiele context, hun eigen doel zo goed mogelijk te bereiken. Als het daarin een optimale plek heeft gevonden, wordt ook dit stukje stabiel en breidt de stabiele plek dus uit. Na verloop van tijd zal het hele systeem stabiel zijn. Elk element heeft een manier van interactie gekozen waarmee zijn doel zo goed mogelijk wordt gehaald in de omgeving waarin hij zit. We zeggen dat dat systeem in evenwicht is.

Hoe het uiteindelijke evenwicht er uitziet, is dus in zekere mate afhankelijk van het toeval, zoals waar binnen het systeem de eerste stabiele plekken zijn ontstaan, en welke win-win situaties er zijn ontstaan. Het is ook helemaal niet gezegd dat de win-win situatie die is ’gekozen’ de enige, of zelfs de beste mogelijke situatie was. Maar de situatie die is ‘gekozen’ door de elementen is de basis voor de zelforganisatie die is ontstaan.

Wat betekent dat nu voor pedagogische systemen? Nou om te beginnen verklaart het waarom pedagogische systemen zo moeilijk te veranderen zijn. Als je een ding wilt veranderen, dan moet je alle elementen in het systeem mee krijgen. Of dat lukt is afhankelijk van welke interacties ‘gekozen’ zijn. En daar zit een zekere mate van toeval in. Effecten van interventies zijn daarom nauwelijks te voorspellen. Het in kaart brengen van de interacties (bijvoorbeeld met causaliteitsdiagrammen) kan je wel helpen om de juiste interventie te kiezen.

Het verklaart ook waarom sommige systemen in evenwichten komen die ongunstig lijken te zijn voor mensen of hele systemen. De interacties die gekozen zijn, zijn dan niet optimaal, maar beter dan het was. Interacties die het doel van een element dichterbij zouden brengen, zorgen voor tegendruk in de rest van het systeem.

Neem bijvoorbeeld verslaving, dat kan je zien als complex probleem. De meeste verslaafden realiseren zich dat het leven zonder verslaving beter zou zijn. Maar stoppen met drugs leidt tot allerlei vervelende bijverschijnselen. Ze zullen ontwenningsverschijnselen krijgen, niet fijn. Er kan sociale druk of isolatie ontstaan vanuit sociaal netwerk en stress. Waarbij stress dan ook nog de drang naar drugs groter maakt. Ze kunnen zich gaan vervelen of het belemmert hun functioneren. Je moet dan sterk in je schoenen staan om al die druk op te vangen.

In dit blog staat een voorbeeld uitgewerkt uit de opvoedingsondersteuning

Bronnen:

Heylighen, F. (2008). Complexity and self-organization. CRC Press, Boca Raton.

Self-organization. (2021). In Wikipedia. https://en.wikipedia.org/w/index.php?title=Self-organization&oldid=1020424313

OP de hoogte blijven?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief. Je krijgt dan elke maand een overzicht van de nieuwe blogs.

0 0 stemmen
Article Rating
Abonneer
Laat het weten als er
guest
0 Comments
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Op de hoogte blijven?

Mis niks meer door je in te schrijven op onze nieuwsbrief.

logo

Deze website maakt gebruik van cookies. Door de site te blijven gebruiken, ga je akkoord met ons cookiebeleid. Meer informatie: Privacybeleid​